In een eerder weblogbericht schreef ik over de drie domeinen waarbinnen je je als wethouder, naar mijn observatie, beweegt. Het bestuurlijke, politieke en publieke domein. Vandaag een voorbeeld uit het bestuurlijke domein. De vorming van de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD).
Het Rijk heeft, op basis van de ervaringen met diverse (bijna) rampen en de daaropvolgende onderzoeken, geconcludeerd dat de meeste gemeenten te klein zijn om de complexe wet- en regelgeving rondom milieuvergunningen adequaat uit te kunnen voeren. Het verlenen van deze vergunningen, het houden van toezicht op de naleving hiervan en het handhaven in geval van overtredingen, vergt zo veel expertise dat je toch minimaal een verzorgingsgebied van zo’n 300.000 inwoners nodig hebt om de vereiste kwaliteit te kunnen bieden. Immers, als je als gemeente slechts een enkele keer per jaar op dit terrein actie hoeft te ondernemen, bouw je te weinig ervaring op en is het inhuren van dure experts vrijwel onhaalbaar.
Kortom, het Kabinet kwam tot de conclusie dat gemeenten de uitvoering van deze VTH-taken (vergunningverlening, toezicht en handhaving) regionaal moeten organiseren. Ergo: er moesten Regionale Uitvoeringsdiensten (RUD’s) komen. Gezien de vereiste schaal lag een regionalisering op het niveau van provincies voor de hand. Oftewel, de provincie zal de regie moeten voeren over het tot stand brengen van deze RUD’s.
In Groningen (link: http://www.provinciegroningen.nl/actueel/dossiers/regionale-uitvoeringsdienst-groningen/) overleggen 23 gemeenten samen met de provinciale overheid over de vorming van een Groningse RUD. 24 overheden dus die het met elkaar eens moeten worden. Dat valt niet mee, zeker niet als de historische balast van “Stad en Ommeland” en de daarbij behorende emoties mee spelen. Opdracht voor alle deelnemers, ga met z’n 24-en aan een grote ronde tafel zitten en probeer het met elkaar eens te worden. Wat laten we de RUD uitvoeren? Hoe besturen we dat geheel? En waar brengen we al die mensen onder? Diverse varianten passeren de revue, diverse argumenten worden gewisseld en aan het eind van de rit zijn we het niet met elkaar eens. En dan ligt er ook nog ter elfder uren een brief van de staatssecretaris die zijn eigen voorkeuren uitspreekt. Aan de betrokken wethouders de taak om te zorgen dat er voor 1 november een collegebesluit ligt.
Onder al dit bestuurlijke geweld dreigt het nut van dit alles al snel buiten beeld te raken. Waarom al dit gedoe?
- kwalitatief betere vergunningverlening, toezicht en handhaving met betrekking tot milieu wet- en regelgeving;
- lagere kosten (we moeten ook nog met z’n allen 100 miljoen bezuinigen op dit onderwerp);
- minder rompslomp voor aanvragers van vergunningen (bedrijven en burgers).
Het zal u niet verbazen dat ik een aanzienlijk deel van mijn tijd bezig ben met dit dossier. Het haalt niet de krant, het is niet sexy, maar het moet wel gebeuren.